Running blues

Nee, helaas, deze blog schrijf ik niet omdat ik denk anderen te inspireren met mijn gezonde levensstijl of aan het hardlopen te krijgen. Ik zou willen dat ik dat kon. Dat ik het enthousiasme en de energie had van de twenty something blogsters, zoals op eat.run.love and live healthy oftewel annemerel.com. Ik heb ze ontdekt toen ik googelde op leuke hardloopblogs en dan liefst van vrouwen. Omdat ik dat zelf ben en omdat ik al best een aantal jaren hardloop. En omdat ik een blog moet schrijven in de stijl van een blog die je leuk vindt. Wat best lastig is als je geen notoire blogvolger bent. Zo kwam ik terecht bij de net gememoreerde Annemerel (die net een boek over hardlopen geschreven heeft) en bij runandrearun en nog een paar anderen. Strakke, professioneel vormgegeven blogs gelardeerd met foto’s van frisse, slanke meisjes met blonde paardenstaarten. Het gaat al lang niet meer over hardlopen als bewegingsactiviteit: het is een life style, compleet met bootcamp, yoga en natuurlijk healthy smoothies, granola en quinoa salades. Hoe graag ik ook een blog in die trant zou willen schrijven, het lukt me niet, want dan zou ik keihard moeten liegen over mijn leef- en eetgewoontes.

Geen dag zonder Tony 

Wel loop ik hard, al dertien jaar. Ik heb zelfs drie marathons gelopen (New York in 2005, Rotterdam in 2008 en Berlijn in 2012). Zonder mijn eetpatroon drastisch om te gooien of aan te passen. Zonder een feestje te missen of een glaasje wijn te laten staan. Wel door het volgen van een trainingsschema, want je moet natuurlijk wel een aantal extra kilometers in de benen hebben. Ik eet zeker niet mega ongezond, maar de ultra über powerfoods, daar heb ik me nog niet structureel aan gewaagd, alhoewel er in mijn voorraadkast wel een zakje gojibessen staat te verstoffen. Maar de laatste maanden is er wel een beetje de klad gekomen in mijn levensstijl van de afgelopen jaren. Zo ontbijt ik met brood. En meestal eet ik ook brood als lunch. Ik eet pasta of rijst bij de warme maaltijd. En regelmatig friet. Met mayonaise. Ik drink graag wijn. Ik drink ook graag koffie. Bij voorkeur espresso of cappuccino. Maar dan moet het wel met koemelk zijn, want met soja-of amandelmelk: gadverdamme. Gelukkig hou ik van gezonde kruidenthee of groene thee. Behalve muntthee (kruid en groen), dat vind ik vreselijk: zo’n struik in je glas, geen gezicht en het smaakt zo naar hoestpastilles.Ook neem ik elke dag een stuk chocolade. Geen idee hoeveel gram, ik leg steeds een Tony Choconoly in de koelkast en daar breek ik dan kleine stukjes af. Meerdere malen per dag. Zeventig procent puur, dat dan weer wel.

Hoe ik begon 

Wat het hardlopen betreft: ik doe het drie keer per week. Daar ben ik ooit mee begonnen op vakantie. Ik had namelijk de gewoonte om elke ochtend op vakantie een kilometer te zwemmen voor het ontbijt (dit was vooral praktisch, want dan sliep de rest van het gezin nog en kon ik daarna meteen weer aan de slag als moeder). Tot die snikhete zomer in 2003. We zaten in een huisje op een Spaanse camping zaten (denk krappe 6 persoons stacaravan waar met moeite twee volwassenen plus drie kinderen van respectievelijk zes, vijf en twee jaar oud in pasten. O ja, en ongeveer een miljoen mieren). Daar was weliswaar een groot zwembad, maar dat ging pas om tien uur open en dan was het ook meteen overbevolkt. Geen optie dus. Gelukkig had ik hardloopschoenen bij me, die ik altijd als wandelschoenen gebruikte. Ik had ze immers aangeschaft toen ik de Vierdaagse in 1989 ging lopen. De camping was zo uitgestrekt dat ik  gemakkelijk dertig minuten kon joggen zonder steeds hetzelfde rondje te moeten lopen. Zo rende ik via ongeveer alle weggetjes en paadje zigzaggend over het terrein naar de supermarkt om me aan te sluiten bij de rij voor het brood. Bezweet weliswaar, maar vergeleken met de uitpuilende blote bierbuiken en vetrollen boven te krappe bikini broekjes, zag ik er esthetisch nog zeer verantwoord uit. Eenmaal terug in Nederland ben ik blijven hardlopen. Tot ik begin dit jaar een operatie moest ondergaan omdat ik borstkanker bleek te hebben (niets van gemerkt). Twee maanden mocht ik niet sporten. Ik heb het daarna weer opgepakt, maar ben nog niet waar ik vorig jaar was qua hardlopen. Maar daar ga ik wat aan doen. Na de vakantie. In september of zo.

Hoe ga ik verder? 

En wie weet, word ik dan een echte hardloop fitgirl blogger. Nou ja, girly ben ik niet echt meer op mijn vijftigste. Ik zal heus geen foto’s posten van mezelf met ontblote buik. Dat had ik trouwens ook niet gedurfd op mijn vijfentwintigste. Maar ik kan best een beetje healthy foodbloggen. Daarom als afsluiter twee recepten die ik de dag voor de vakantie heb ontwikkeld. Een super soep en een smakelijke smoothie. Bovendien hoef je dan minder weg te gooien voor je vertrekt. Zo sla je twee (fruit)vliegen in een klap.

Super Soep: Haal alle groenten die je hebt uit je koelkast en snijd ze in grove stukken. Pak, afhankelijk van de hoeveelheid, een bijpassende pan en vul deze met de groenten en een paar liter water. Gooi er een paar bouillonblokjes bij en breng aan de kook. Als de groenten zacht zijn, pureer het en kruid het naar smaak met peper, zout, kurkuma, paprikapoeder, maakt niet uit. Slurp smakelijk. Als het teveel is, vries het in, dan heb je vast wat gezonds als je thuiskomt.

Smakelijke smoothie: Pak al het fruit dat je in huis hebt en snij het in stukken. Gooi het samen met een glas water en eventueel ijsklontjes in de blender en maak er een fijne smoothie van. Giet het eventueel in een beker of fles, zet in de koelkast, neem mee en drink onderweg naar je vakantiebestemming. Healthy holiday.

Rio in retroperspectief

Mosterd na de maaltijd, maar toch, omdat het zo’n speciale maaltijd was een korte terugblik op Rio.

Natuurlijk was het een geweldige belevenis om erbij te zijn. Om in Rio te zijn. Een bijzondere stad, zoals zij (of is het hij?) daar aan de Atlantische Oceaan gedrapeerd ligt. De bergen die lukraak op lijken te rijzen tussen de favela’s, alsof zij er later waren dan de krotten. Het zou een paradijs kunnen zijn, als er niet zoveel armoede en krotten waren.

‘Live’ bloggen vanuit de Olympische stad lukte helaas niet. Allereerst vanwege de slechte WiFi op de cruiseboot,waar wij verbleven. Deze boot was speciaal voor de Olympische Spelen aan Pier Maua afgemeerd, als een soort pop up hotel. Ten tweede omdat ik op de plekken waar wel WiFi was, te afgepeigerd was om iets te schrijven. De reistijden waren namelijk zo gigantisch lang vanuit onze accommodatie, dat het bezoeken van meer dan een wedstrijd per dag onhaalbaar bleek te zijn. Nou ja, tenzij je niet wilde eten of rusten, dan had het gekund. Maar met drie kinderen van 19, 18 en 15 is dat geen optie.

Omdat er inmiddels al zoveel gezegd en geschreven is over de Olympische Spelen, sluit ik af met wat ik goed en minder goed vond. Oftewel: in trainingstermen tops en tips ;-).

Top:   gastvrijheid en vriendelijkheid van de Carioca’s (ik heb me niet onveilig                      gevoeld).

Tip:    ongeveer de helft van de vrijwilligers sprak niet of nauwelijks Engels.

Top:   er waren veel vrijwilligers.

Tip:   combineer niet dat drukke groen, geel, oranje shirt met een kaki broek. Zo                  jammer.

Top:  er waren veel vrijwilligers in en rondom de Olympische locaties

Tip:  op veel (bus)stations was geen enkele vrijwilliger te bekennen op                                 het moment dat je ze nodig had

Top:  er waren meer dan genoeg toiletten in de verschillende stadions

Tip:  er waren veel te weinig eettentjes op de Olympische locaties, die vies fast                 food serveerden, als het tenminste niet uitverkocht was. En dat je vooraf                   moest betalen voor eten dat je uiteindelijk niet kreeg, is ook niet echt heel                 servicegericht.

Top:  ik vond het logo van Rio 2016 echt heel goed passen bij Rio met al die felle               kleuren

Tip:  geef niet de drie metrolijnen op de kaart met openbaar vervoer verbindingen            drie tinten paars, de spoorlijnen drie tinten groen en de snelbus drie tinten              blauw. Dat maakt het niet overzichtelijker.

Top:  de hartstocht waarmee de Brazilianen toeschouwer zijn.

Tip:   niet fluiten als de tegenstander aan service is of boe roepen bij een punt.

Om deze laatste tip te illustreren post ik hierbij een filmopname die ik heb gemaakt bij een van de tenniswedstrijden. De Argentijn Del Potro tegen de Portugees João Sousa. De Brazilianen zijn voor de Portugees, omdat ze sowieso tegen Argentinië zijn. En Del Potro krijgt steun van zijn landgenoten. Is dit tennis? Of is dit een voetbalwedstrijd?

 

 

 

 

 

 

 

Rio, de day before…

Zo kom je er nooit  en zo ben je ineens bijna een soort habitué in Copacabana. Nog geen week geleden was ik voor het eerst van mijn leven aan het Copacabanastrand. Omdat het te ver schijnt te zijn om van Buzios binnen een dag naar Paraty te reizen (dat kost inderdaad bijna acht uur) stond afgelopen vrijdag een nachtje Rio op het programma. In een hotel dat twee blokken verwijderd was van een van de beroemdste stranden ter wereld. Het was een superstop. Een late lunch in een strandtentje (is relatief goedkoop), een beetje slenteren over de boulevard en het strand en de volgende ochtend hardlopen langs datzelfde strand. Samen met half Rio zo ongeveer, want het krioelde van de lopers. Er waren meer mensen in de ochtend aan het lopen dan er de middag daarvoor op de boulevard liepen. Ja, bij de Olympische ringen stond een handjevol mensen in de rij voor een selfie. Maar in de enorme pop up winkel verderop kon je zo naar binnen om te kijken wat er zoal aan Olympische parafernalia te koop was. Veel, heel veel, zelfs wijn en condooms. Waarschijnlijk ook Olympische cockringen, al heb ik die niet gezien.

Vandaag, zes dagen later, zit ik weer aan het Copacabanastrand. Niet helemaal volgens planning, maar er zijn ergere dingen. Het cruiseschip dat de komende week als ons onderkomen (en van vele anderen) zal fungeren is te laat en daarom kunnen we morgen pas inchecken. Dus kregen we een hotelovernachting aangeboden, ditmaal in een hotel aan de boulevard. Vlakbij het beach volleybal stadion, dat alweer meer afgewerkt oogt dan een week geleden, al zijn ze nog steeds aan het timmeren.

Qua drukte is het een wereld van verschil met vorige week. Er staat een dikke rij voor de Olympische winkel. Je ziet overal vrijwilligers. Die zijn herkenbaar aan hun geel, oranje, groen gevlamde shirts en beige broeken. Een afgrijselijke combinatie, een gele broek was beter en meer Rio geweest. Veel politie, die continue patrouilleert. Marineschepen voor de kust. Zwaarbewapende militairen op een aantal kruispunten. En toch voelt het niet eens beklemmend. Misschien omdat overal muziek wordt gemaakt? Omdat er gevoetbald wordt op het het strand? Omdat toeristen aan het bier op een terrasje zitten? Of omdat je er (helaas) aan went?

Morgenochtend voor de tweede keer deze week hardlopen langs het Copacabanastrand. Ik ben benieuwd met hoeveel anderen 😉

Road to Rio

Sinds dinsdag ben ik in Brazilie. Anderhalve week reizen rondom Rio en daarna naar de Olympische Spelen. Als toeschouwer uiteraard ;-).
De heenreis was een belevenis op zich. We zaten in hetzelfde vliegtuig als de turners, de beachvolleyballers, de baanwielrenners en de zeilers. We waren onderweg naar Schiphol al getipt want een vriend van een van mijn zoons, die een uur eerder naar zijn vakantiebestemming vloog, had Epke gesignaleerd op Schiphol.
Het inchecken van de koffers ging razendsnel. Er waren meer balies beschikbaar dan passagiers op het moment dat wij aankwamen. Omdat het een Olympische vlucht was mochten we als sky priority passagiers door de beveiliging en douane. Nou, daar verheugde ik me natuurlijk enorm op. Zou je dan met fluwelen handschoenen gefouilleerd worden?
Op zich ging het heel snel, voor de rest van het gezin. Helaas kwam mijn rugzak in de rij suspicous bags, die best lang was en op het moment dat die van mij bijna aan de beurt was, kwam er een personeelswissel.
Uiteindelijk bleek het halfvolle flaconnetje DEET de boosdoener.
Bij de gate zagen we ze dan. De sporters. Met hun coaches, fysiotherapeuten en overige begeleiders. Een zee van oranje, donkerblauw en grijs. Een grondstewardess kwam hen hoogstpersoonlijk halen om te boarden.
Ook een deel van de Oekrainse ploeg bleek mee te vliegen naar Rio, gehuld in een uitbundige combinatie van felblauw met geel. Vooral een wat oudere dame, met geblondeerd haar viel mij op, met name omdat ze felgele kousen onder een blauwe korte broek droeg en haar voeten in gele teenslippers had gewurmd.

Tijdens de vliegreis zat ik op rij dertig, bij de nooduitgang met uitzicht op de toiletten. Frontrow zo bleek. Omdat hier wat meer ruimte was, kwamen de turners om de beurt rekken en strekken. Kleine, frele meisjes bogen hun rug zo diep dat ik bang werd dat ze door midden zouden breken. Ze zagen eruit als veertien. De mannen waren ook niet zo groot maar oogden verre van breekbaar. Yuri met zijn enorme gespierde torso, Jeffrey en Epke. De laatste had steeds een petje op en straalde uit dat hij liever niet herkend wilde worden. Wat ik me wel kon voorstellen, maar ja, wie kijkt er nu niet naar de man die Nederland aan turngoud hielp vier jaar geleden. Hoe ik ook mijn best deed om er niet op te letten, het viel me toch op dat Epke een duidelijke voorkeur had voor een bepaald toilet. Terwijl er toch drie waren in dat blok. Maar ik kan me zo voorstellen dat je als topsporter je rituelen hebt. Misschien bestaat er wel zoiets als een gelukstoilet. Voor de zekerheid heb ik het bewuste toilet ook maar bezocht.

Toch fijn dat er in een vliegtuig genderneutrale toiletten zijn.

 

Bezemwagen

Wanneer ik tijdens mijn ontbijt door de Volkskrant blader, blijft mijn bliIMG_6109k hangen bij de foto’s in het hart van het eerste katern. Onder de kop Bandje doorgeknipt staat een artikel over de staart van het peloton Vierdaagse Lopers. Een beeld van een eenzame wandelaar die langs verlaten tuinstoelen loopt, een man die met vertrokken gezicht in de berm ligt, een oudere heer die door twee toeschouwers de finish wordt over geduwd.

Ik weet hoe ze zich voelen. In 1989  heb ik meegedaan met de Vierdaagse. Destijds was er nog geen sprake van loting en kon je je tot vlak van tevoren inschrijven. Het was het pre Internet tijdperk en het meest moderne communicatiemiddel in die dagen was de fax, maar daarover beschikten wij, arme studenten, natuurlijk niet. Met vier vriendinnen reisde ik naar Nijmegen. Via via hadden we slaapplekken geregeld in een studentenhuis aan de Annastraat en we kregen elke avond een gezonde, warme maaltijd voorgeschoteld in het Nijmeegse ouderlijk huis van een van ons.

Kortom: alle faciliteiten waren uitstekend in orde. Het enige wat ontbrak was training. Geen van ons had ook maar een kilometer wandeltraining in de benen. Maar, zo redeneerden wij, als al die bejaarden hem uit kunnen lopen (voor ons viel iedere 45 plusser toen in die categorie) dan lukt dat ons, twintigers, met gemak. Dat ik zelf een pakje per dag rookte, regelmatig in de kroeg hing en weliswaar hockeyde, maar vooral schitterde in de derde helft en in afwezigheid op de training, zag ik niet als een mogelijke belemmering voor het behalen van het Vierdaagse kruisje.

Elke dag belandde ik steevast in de loop van de middag in de staart van het peloton. Nog zie ik de militair voor me, een vrouw met een rugzak waaruit een Noors vlaggetje stak. Ik spotte haar de eerste dag toen ze op de buitenkant van haar kistjes strompelde. Die zal wel uitvallen dacht ik. Maar elke dag zag ik haar weer ergens trekkebenen in mijn buurt. Later bedacht ik dat ik er waarschijnlijk net zo florissant bijliep. De week na de Vierdaagse ben ik zelfs nog in het ziekenhuis beland omdat zowel mijn linkerknie als mijn rechterenkel groteske proporties hadden aangenomen.

Elke dag eindigde in een strijd tegen de klok. Want het zou me toch niet gebeuren dat al dit lijden en afzien voor niets was geweest. De allerlaatste dag had ik zoveel pijn in mijn benen dat ik pas na een uur redelijk kon voortbewegen. Daarom besloot ik niet te pauzeren. Pas bij de allerlaatste controle post, toen het kruisje was veilig gesteld, plofte ik in het gras en wachtte op mijn vriendinnen om samen de Via Gladiola te lopen.

Dat hebben we gedaan. Geheel in stijl, langs verlaten tribunes, over platgetrapte gladiolen en net voor de bezemwagens, die de straat aan het schoonvegen waren.

 

 

Pokémon

Nederland is Europees kampioen. Niet met voetbal deze keer (alhoewel de eerste en laatste keer alweer 28 jaar geleden is). Wel met de dames sprint estafette. Maar ook in de categorie zitten. Nederlandse jongeren tussen 12 en 20 jaar zijn het beste in zitten van Europa. Ruim tien uur per dag. Tel daar acht uur slaap bij op en er zijn nog zes uur over. Geen idee hoe ze die doorbrengen. Waarschijnlijk hangend op de bank of sloffend naar de koelkast.
Maar de oplossing heeft zich al aangediend. Sterker nog: in dezelfde media doken berichten op van het overweldigende instant succes van Pokémon Go. Alhoewel hier nog niet legaal verkrijgbaar is het een rage onder, juist, diezelfde jongeren. Massaal jagen ze, voornamelijk fietsend of lopend, op de virtueel aanwezige wezens. Ook mijn zonen zijn inmiddels hooked en leggen kilometers per dag af.
Eindelijk een gezonde game verslaving. Al zouden de media hun werk niet goed doen, als er ook meteen berichten verschijnen over wat er misgaat. Beroofd worden van je smartphone als je ’s nachts op jacht gaat. Van de rails afgehaald worden omdat je daar aan het zoeken bent. Natuurlijk moet je blijven opletten en weten wat je doet. Maar dat geldt voor veel dingen, zo niet alles.
Zo zie je maar wat er gebeurt als bewegen een middel is en geen doel. Ik hoop dat de Nederlandse jongeren over een maand Europees kampioen Pokémon Go zijn.

Weg

Omdat zitten het nieuwe roken is, maar vooral omdat het lekker weer is en ik tijd heb, loop ik vandaag naar de bakker. Een wandeling van ruim twintig minuten. Net als Roodkapje neem ik de weg door het bos, de kans dat er een grote boze wolf op mijn pad komt acht ik miniem. Daar heb ik helemaal gelijk in. Wel kruisen twee oudere fietsers mijn bospad, ik gok een echtpaar. Ouder is natuurlijk een relatief begrip, ik bedoel: ouder dan ik. Niet dat ik nog zo jong ben, maar in ieder geval nog niet op een leeftijd dat ik tijd noch zin heb om op maandag een uitgebreide fietstocht te maken met mijn man. Ik zie ze van hun fietsen afstappen. De vrouw tuurt op haar smartphone, kijkt een beetje vertwijfeld rond en richt haar blik op mij. ‘U ziet eruit of u ons kunt helpen de weg te vinden.’

‘Dat ligt eraan waar u naar toe wilt,’ antwoord ik. Nu ik het zo opschrijf moet ik zeggen dat ik het bijna een spiritueel antwoord vind, alsof ik net een week op zen cursus ben geweest bij Tibetaanse monniken. Terwijl ik het bedoel als een vorm van verwachtingsmanagement. Ja, ik ben bekend hier in de omgeving, maar ik ken natuurlijk niet alle straten en wegen uit mijn hoofd. Dus ik hoop dat ik u niet teleurstel.

Gelukkig vraagt ze naar een bekende weg en kan ik helpen. De man zwijgt. Dat komt me bekend voor. Mannen vragen nooit de weg. Ook de boze wolf uit Roodkapje niet. Die vroeg alleen waar ze naar toe ging.