Föhn

Vandaag is hij gekomen. Mijn föhn. Een ware mijlpaal, want ik ga al zeker dertig jaar door het leven zonder. Althans: ik heb er ooit eentje aangeschaft, maar nooit gebruikt. Eerlijk gezegd wist ik niet dat ik daarmee een enorme uitzondering ben als vrouw. En mogelijk – het zijn per slot van rekening andere tijden nu ook mannen volop aandacht hebben voor hun uiterlijk – een enorme uitzondering als volwassen mens.

Min of meer per ongeluk vertelde ik het aan mijn kapster toen zij me liet zien hoe ik mijn haar het beste kon föhnen. ‘Wat doe je dan?’ vroeg ze. ‘Gewoon, wassen, kammen en dan droogt het vanzelf op,’ zei ik argeloos. Lange(re) of kortere haren, zo doe ik het al jaren. Waarschijnlijk is dat ook wel te zien,  maar aangezien ik mijn kapsel nou niet bepaald als mijn grootste attractie beschouw (dat is natuurlijk mijn fantastische karakter) kan ik er ook niet echt mee zitten.Tijdens mijn meest recente kappersbezoek liet ik me overtuigen. Het zou mij nauwelijks extra tijd kosten, dat föhnen. Vijf minuutjes blazen, wat rondjes draaien met een borstel en ik zou daarna zo mee kunnen doen met een shampoo commercial.

Omdat ik vind dat je ook na je vijftigste open moet staan voor nieuwe dingen, bestelde ik er eentje.

fohn

En net als ik naar boven loop om mijn haren te wassen, komt het pakketje binnen. Wat een timing. Dat kan al bijna niet meer fout gaan tussen de föhn en mij. Gretig open ik de doos met de sleutel tot een nieuwe, verbeterde versie van mij. Kapsel technisch gezien dan. Het is een eenvoudige witte föhn met twee opzetstukken die er identiek uitzien. Ik zie tenminste geen verschil. Ik zet de ene er op en leg de andere op een plek waar ik hem hopelijk weet te vinden, mocht ik hem (of haar?) ooit nodig hebben. Dan leg ik de föhn in het zicht, zodat ik niet vergeet om hem te gebruiken als ik uit de douche kom. Na het douchen breekt het grote moment aan: ik ga zelf mijn haar föhnen. Eerst frot ik er wat versteviging in (nu heeft het tenminste nut) en dan pak ik de föhn in mijn rechterhand en de borstel in mijn linkerhand. Na twee minuten weet ik weer waarom ik nooit mijn haren föhn. Ik krijg pijn in mijn rechterschouder en kramp in mijn linkerhand. Ik leg de borstel weg en wapper een beetje heen en weer met de föhn. Binnen vijf minuten zijn mijn haren bijna droog. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld. Ik zie eruit alsof ik – heel eventjes – met mijn vingers in het stopcontact heb gezeten. Tenminste, zo stel ik me altijd voor dat je er dan zo uitziet: een paar plukken staan omhoog en de rest wijst vertwijfeld alle kanten uit. Ik maak mijn handen nat en duw alles naar beneden. Gelukkig, je kunt bijna niet meer zien dat ik mijn haar geföhnd heb.

Zeven minuten…

Al ruim een jaar doe ik het vrijwel dagelijks. Meestal in de ochtend, maar soms ook in de middag of avond. Vaak gewoon thuis, maar ook wel in de buitenlucht. Onlangs deed ik het zelfs in een bushokje. Dat was een goede zet, aangezien het behoorlijk guur was. Ik heb nooit zin om het te doen, maar het is eigenlijk zo gepiept. Je wordt er energieker en fitter van als je het regelmatig doet. En het duurt nog geen acht minuten. Nee, dit is geen verwijzing naar de lichamelijke activiteit waar het om draait in het beroemde boek van Paulo Coelho. Dit gaat niet over elf, maar over zeven minuten.

Seven minutes heet de app en hij (of is het een zij?) is gratis. Je installeert hem op je smartphone of tablet en dat is het een kwestie van doen. Twaalf oefeningen van dertig seconden met steeds tien tellen rust.Voor de rekenaars, dat is inderdaad bij elkaar opgeteld meer dan zeven minuten. Om precies te zijn: zeven minuten en vijftig seconden. Dus het had beter eight minutes kunnen heten, maar ja, dat klinkt waarschijnlijk bij voorbaat al een stuk vermoeiender. Hoe dan ook: na mijn operatie vorig jaar nam ik me voor elke dag te seven minuten. In ieder geval tot ver in de zomer. Want dan zou ik het zeven maanden hebben volgehouden en dat was de challenge, aldus de app. Natuurlijk gaat het helemaal nergens om of over. Je krijgt heus geen bos bloemen of oorkonde als je het haalt.

Voor mij was het aanvankelijk een manier om actief aan mijn herstel te werken. De oefeningen die ik nog niet kon of mocht doen verving ik door anderen. Net zolang tot ik ze, na een week of zes, alle twaalf kon uitvoeren. En nog wat later, toen ik weer aan het werk en het hardlopen was, en ik inmiddels halverwege de zeven maanden challenge was, ging ik ervoor. Tja, dan komt dat moment dat je de queeste volbrengt: 100%.  En dan gebeurt er dus helemaal niets. Maar het zat zodanig in mijn systeem dat ik maar gewoon door ben gegaan en nu aardig op weg ben naar de 200%. En route heb ik inmiddels toegang verkregen tot een aantal seven minutes varianten. Met heftige namen als Calorie Burn en Explosive. Die zijn inderdaad wat heftiger dan de basic workout, die ik zo langzamerhand van voor naar achter en terug kan dromen. Want elke twee maanden dat je niet verzuimt om het regelmatig te doen, krijg je een nieuwe workout cadeau. Je weet alleen niet welke. Een soort voetbalplaatjes. Spaar ze allemaal. Gezien het aantal variaties waarvoor ik nog geen toegang heb, heb ik nog wel wat jaartjes te gaan voor ik de collectie compleet heb. En verbeeld ik het me, of komen er telkens workouts bij?

Soms integreer ik de seven minutes in mijn hardlooprondje. Als ik een bankje tegenkom, want die heb je nodig voor de step ups en de dips. Oké, je wordt af en toe wel een beetje vreemd aangekeken door een passerende fietser of wandelaar, maar alles went. En je moet goed uitkijken dat je niet midden in een hondendrol je sit- of push ups doet.

Ik durf niet te beweren dat je superstrak wordt van een dagelijkse seven minute workout. Maar alle kleine beetjes helpen en deze zeker. En ach, wat is nou zeven minuten, nou ja, acht dan? Een keertje minder de snooze knop van je wekker indrukken en je bent er al.7-minute-workout-graphic-791x1024

Zo ongezellig…

‘Nou, het is hier wel een stuk ongezelliger,’ klaagt een vrouw achter mij. Het is maandagmorgen, even na achten. Ik zit in de mammapoli te wachten op een mammografie. Vorig jaar zat de poli nog ergens midden in het ziekenhuis en was de wachtruimte vaak overvol omdat ook deze ook bestemd was voor de orthopedie patiënten. Vaker wel dan niet kwam ik bekenden tegen. Niet altijd even prettig als je net weet dat je borstkanker hebt en nog volop in het proces zit van wat gaan ze precies wanneer doen en hoe verder. Krappe stoeltjes, oude tijdschriften en zoveel lawaai dat de verpleegkundige van dienst je naam zo ongeveer schreeuwde als je aan de beurt was. Hoezo privacy?

De mammapoli huist nu in een nieuwe vleugel. Het is ruim opgezet, met veel blank hout en lichte kleuren. De tijdschriften zijn van recente datum. Het oogt schoon en fris en ik hoop dat mijn borsten er ook zo uit zien. Van binnen dan.

De vrouw achter me moppert nog even door over de nieuwe mammapoli. Ze klinkt niet echt boos, ik denk dat het meer een vorm van afleiding voor haar is. Want niemand komt hier natuurlijk voor de lol. Of voor de gezelligheid. Alhoewel, nu ik erover nadenk, schiet me te binnen hoe twee mannen op leeftijd een bakkie deden aan de tafel waaraan ik een boek probeerde te lezen. Dat was een jaar geleden, in de oude wachtruimte. ‘He Kees, hoe gaat het met jou? Lang niet gezien.’ Om er vervolgens op los te beppen alsof ze elkaar op de markt tegenkwamen, terwijl hun vrouwen in de rij stonden voor de groenten en fruitkraam (dit zie ik regelmatig gebeuren als ik, gehaast als altijd, inkopen doe op de markt).

Een voor een druppelen de polimedewerkers binnen, allemaal vrouwen. Een vrouw loopt een kamertje binnen en komt er een minuutje later uit met een beker koffie. Een ander sjokt met haar oordopjes nog in en haar jas aan de gang op. Voor hen is het business as usual. Een gewone grijze werkdag in januari. Het is niet eens blue monday, want dat is pas volgende week, maar voor mij voelt het meer als black monday. Mijn eerste controle, een jaar na de operatie. Rationeel weet ik dat de kans dat het foute boel is vele malen kleiner is dan dat het goed is, maar emotioneel is het moeilijk. Eerst het pijnlijke pletten en dan het wachten op de uitslag. Ik zie er als een berg tegenop en het wachten duurt lang.

Dan is het zover. Ik hoor mijn naam en schrik zowaar op. Snel pak ik mijn tas en haast me naar de radiologie laborante, alsof ik bang ben dat mijn plek anders wordt ingepikt door een ander. Het geijkte kleedkamertje met twee deuren. De deur naar de gang kan van binnen uit op slot kan. De andere deur heeft geen klink. Die geeft toegang tot de mammografie ruimte. Als patiënt kleedt je je uit en wacht tot je gehaald wordt. Als patiënt ben je gedwongen passief. Je bent geen uniek individu meer maar een verzameling cellen.

Het onderzoek verloopt sneller dan ik verwacht. De laborante doet er alles aan om de plettijd zo kort mogelijk te houden. Ik mag weer terug het hok in: aankleden en op de uitslag wachten. Ik zit op de stoel, kijk op mijn smartphone zonder iets te zien en voel me moe en moederziel alleen. De deur gaat open en daar is de laborante weer. ‘Er zijn geen veranderingen,’ zegt ze en aan haar toon te horen is dat positief. ‘We moeten altijd een slag om de arm houden, maar het is voor 95 procent zeker dat het goed is.’

De rest van de dag voel ik me 95 procent opgelucht. De andere 5 procent bewaar ik voor de dag erna, als ik de definitieve uitslag hoor.

 

 

Een dag van 25 uur

‘Are you East Europian?’, vraagt de kale Engelsman met anderhalve arm, als hij om twee uur ’s middags zijn (eerste?) pint op heeft. We zijn onderweg naar Chichester omdat zoon S. daar de komende maanden zal vertoeven om Cambridge Engels te studeren. ‘No, Dutch,’ antwoord ik. Zijn lichaam ontspant zichtbaar. ‘That’s good,’ zegt hij en keert weer terug naar zijn barkruk. Mocht hij zijn gaan stemmen in juni dan ben ik er honderd procent zeker van dat hij ja heeft gezegd tegen een Brexit. En dat hij er nu persoonlijk voor wil zorgen dat de Oost Europeaan die zich nog durft te vertonen in de lokale pub, zijn stamkroeg, rechtsomkeert maakt.Verder gaat het er uiterst gemoedelijk aan toe in ‘The Six Bells.’ Het is niet afgeladen vol, maar voor een maandag vind ik het meevallen. Al ben ik hier nooit eerder geweest en is de kans klein dat ik er ooit weer kom, dus echt verstand van zaken heb ik natuurlijk niet.

the-six-bells

We zijn in alle vroegte vertrokken deze ochtend. Net na zessen, want we hebben de overtocht Calais-Dover van 10.50 uur geboekt en we willen de boot niet missen. Het is donker in Nederland. En in Belgie. Pas als we de Franse grens naderen gaat de zon op. Zoonlief slaapt vrijwel de hele rit.

We rijden langs de voormalige jungle van Calais. Dubbele hekken, prikkeldraad bovenop en om de tien meter een camera. Daarachter omgewoelde aarde. Een troosteloze aanblik.

Omdat we allerlei extra’s hebben betaald (lees: we hebben het dubbele uitgegeven van wat het anders had gekost) mogen we als eerste de boot op en af. En we hebben toegang tot de Club Lounge. Een vriendelijke, mollige vrouw biedt ons champagne aan. Gratis, dus dat sla ik natuurlijk niet af. Maar ja, het is nog geen elf uur en ik heb nog niet ontbeten, dus uiteindelijk neem ik een nipje (echt waar), maak een foto en kijk er vooral naar.

champagne-aan-boord

De overtocht verloopt rustig. Ik eet een broodje bleke garnalen met een klodder saus, drink drie koppen koffie en lees de krant op mijn iPad. Zoon slaapt verder op een van de banken.

white-cliffs-dover

Het eerste echte stressmoment komt als we van de boot afrijden. Want ja, we zijn in Engeland en dus moeten we links aanhouden. Meteen gaat het fout als we de M2 in plaats van de M20 oprijden, maar we herstellen ons snel.Het volgende stressmoment dient zich aan als de benzine bijna op is. We missen de eerstvolgende Services, omdat deze niet langs de snelweg blijken te zitten. Je moet er blijkbaar af. Nog 25 mijl tot de volgende, die we gelukkig rijdend bereiken. Een close call, want er zit nog een half litertje in de tank.Daarna tuffen we redelijk ontspannen richting Chichester. Na Gatwick gaan we de snelweg af en komen we echt op het platteland van Sussex. Ik verbaas me vooral over de eindeloze hoeveelheid rotondes.

Na de lunch in Billingshurst is het nog ruim een half uur rijden naar Chichester. Daar zijn we bijna een uur zoet met het vinden van de plek waar zoon de komende tijd woont. We rijden van de ene rotonde naar de andere en weer terug. Het is al bijna donker als we eindelijk op de plek van bestemming zijn. Donker en stil, want het is 2 januari. Het jaar is net begonnen. En deze dag duurt voor ons 25 uur.