On a winters day

Het is de kortste dag van het jaar. 21 december. Feitelijk klopt dat natuurlijk niet, ook deze dag telt 24 uur, maar ja, het is pas na achten licht en ruim voor vijven alweer donker. Maar mooi dat je dus kunt zeggen ‘ik ga hardlopen voor zonsopgang’, zonder dat je daarvoor extreem vroeg je bed uit moet. Nu zijn er wel andere drempels zo rond deze tijd van het jaar. Tenminste voor mij. En die hebben allemaal te maken met de weersomstandigheden. Want én donker én regen maakt het nog lastiger om die eerste stap te zetten. Die eerste, zo belangrijke stap.Als ik eenmaal zover ben dat ik de deur achter me dichttrek en de weg oploop, dan ben ik mentaal al zo’n beetje halverwege. Maar gelukkig regent het nu niet. Het is wel koud, net iets boven het vriespunt. Een weertje waarbij je wolkjes uitblaast zonder te roken. Kou is minder erg dan regen, omdat je er gemakkelijker op kunt kleden. Gewoon een extra laagje aandoen. Een waterdicht extra laagje bij regen is niet te doen, dan kun je je warmte niet kwijt. Twee lagen bovenkleding, een lange tight en handschoenen is vandaag voldoende om de kou te trotseren.

Ik moet denken aan de Noorse vrouw, die ik afgelopen maart in de Sierra Nevada ontmoette. Zij vertelde mij dat het Noorse motto luidt: er bestaat geen slecht weer, er bestaat alleen slechte kleding. Als je met die instelling gaat lopen, dan kom je natuurlijk stukken verder dan wanneer je wacht tot het droog, helder en tussen de 10 en 20 graden is. Dus hoe moeilijk ik het soms ook vind om in guur, nat en donker weer naar buiten te gaan om te rennen, ik doe het wel. Al is het maar om het voldane gevoel dat je hebt als je weer thuis komt.

En vandaag is het heerlijk lopen. Na drie kilometer doe ik mijn handschoenen al uit. Wanneer ik langs de Rijn loop, tegen de koude wind in, zingen de Mama’s en de Papa’s: California Dreamin’ on a winters day. Ik bedenk dat na vandaag de dagen weer steeds langer worden. Een goed vooruitzicht. Als ik het weggetje door de uiterwaarden neem, glijd ik een paar keer bijna uit. Daar is niet gestrooid. Dat vind ik het grootste ongemak van hardlopen in de winter. Gladheid. Op kou kun je je kleden, regen kun je doorstaan, maar als het glad is, verkramp ik. Ooit, jaren geleden, liep ik op een klinkerweggetje. Ineens was daar een heel glad stuk en ik viel. Ik krabbelde op, zette nog een pas en viel weer. Ik kroop op handen en voeten verder, tot ik weer houvast had. Als een houten klaas ben ik verder gelopen. Sindsdien heb ik een klein, maar hardnekkig ‘lopen als het glad is’trauma. Ik doe het soms wel, maar vind het de hel. Gelukkig kan ik de gladdere stukken op dit weggetje gemakkelijk vermijden en kom ik daarna weer op bestrooide wegen.

Het laatste stuk loop ik dwars door het dorp, waar alle winkels in kerstsfeer gedompeld zijn. Het daghet in den Oosten, ik ben bijna thuis. En buiten is het licht.Nu wel.

 

 

Advertenties

Grijze laarsjes

Vandaag is het precies een jaar geleden.

7 december 2015. Een regenachtige maandagmorgen, filevorming op de A12 en ik nagelbijtend (figuurlijk gesproken, want dat is een slechte gewoonte die ik voor de verandering eens niet heb) in de auto. Ik heb mijn nieuwe grijze laarsjes aan.Achteraf denk ik: waarom? Waarom was ik bang te laat te komen, want slecht nieuws komt nooit te vroeg. Hoopte ik dat mijn bange voorgevoel niet klopte en wilde ik dat zo snel mogelijk bevestigd zien?

Vrijdag 4 december 2015. Ik sta op het vliegveld van Faro een oogpotlood af te rekenen als mijn huisarts belt.. Als ik zijn naam in het display zie staan, weet ik meteen waar het over gaat en dat het niet goed is.  Hij vertelt dat er kalkspatjes te zien zijn op de mammografie die gemaakt is tijdens het bevolkingsonderzoek. Ik moet zo snel mogelijk naar de mammapoli voor nader onderzoek. Maandagochtend 7 december om 8.00 uur is er plek in Zevenaar. Enigszins verdwaasd loop ik naar een koffiecorner en bestel een grote cappucino en een muffin. Ik ben op de terugweg van een weekje wellness in Zuid Spanje, maar mijn ontspannen gevoel en goede voornemens zijn in één klap verdwenen.

Kalkspatjes. Het klinkt onschuldig, maar na wat gegoogel was is er snel achter dat het ook foute boel kan zijn. Namelijk DCIS. Ductaal Carcinoom in Situ, een voorstadium van kanker. Ik vis de folder uit de papierbak, waar ik ze na het bezoek aan de ‘bus’ had ingegooid. En lees: ”Van elke 1000 vrouwen ontvangen 25 vrouwen een doorverwijzing naar het ziekenhuis. Van deze 25 vrouwen blijken ongeveer 7 vrouwen borstkanker te hebben.’ Statistisch gezien is de kans dus groter dat het goed is dan dat het fout is. Maar ik ben  er totaal niet gerust op. Ik herinner me dat ik in de bus na het pijnlijke pletproces nog even moest wachten. ‘Of de foto’s goed waren gelukt,’aldus de radiologisch laborante. Hebben ze toen al iets gezien? Daarna vertelde ze dat ik de uitslag over twee weken per brief zou krijgen. Tenzij er nader onderzoek nodig was, dan zou de huisarts me na een week of wat bellen. ‘Dan zit ik in het buitenland’, flitste er door me heen. Daarna dacht ik er niet meer aan. Tot het bewuste telefoontje inderdaad komt, daar, in het verre Portugal.

Precies op tijd ren ik het Zevenaarse ziekenhuis in op mijn hooggehakte laarsjes. Het gebouw doet me denken aan de houten noodbouw van mijn middelbare school. De geur van natte jassen ook. En ik voel me bijna even opgelucht als vroeger, dat ik net op tijd binnen ben. Tien minuten later zit ik half ontkleed op een onderzoekstafel. De mammacare verpleegkundige, Monica, voelt aan mijn borsten. Daarna doet de oncologisch chirurg, een oudere man, het nog eens over. Allebei voelen ze niets. Dan krijg ik een echo. Waarschijnlijk gaan ze hier ook niets op zien en moet ik naar Arnhem, waar een supersonisch kalkopsporingsapparaat staat. Maar ze zien wel wat. Een donker vlekje, vlakbij de plek met de kalkspatjes. De radioloog haalt een grote naald tevoorschijn, de assistente een wat kleinere. De kleine is voor de verdoving. Met de joekel prikken ze dwars door mijn borst heen, recht in de donkere vlek. Niet een keer, niet twee keer, maar drie keer. De radioloog zegt niets, de assistente kijkt zorgelijk. Als ze me het potje met de drie biopten meegeeft (dat ik persoonlijk moet overhandigen aan Monica de mammacare verpleegkundige) vraagt ze of ik het vervelend vind dat ik vrijdag gebeld ben en dus een heel weekend heb moeten wachten op dit onderzoek.

Ik denk na. Ik ben na thuiskomst gaan borrelen en daarna uit eten gegaan. Zaterdag stond in het teken van Sinterklaas en surprises. Zondag heb ik gesport en ’s middags zijn we naar Deventer gegaan. Daar heb ik mijn nieuwe laarsjes gekocht.Niemand in mijn gezin, dat voornamelijk bestaat uit bèta’s, had zich druk gemaakt om dit onderzoek, want statistisch stond ik er goed voor. Niemand, behalve ik zelf. Met chocolade, lekker eten en wijn had ik het zoveel mogelijk verdrongen. ‘Ach,’ zeg ik ‘Misschien wel zo prettig als er een beetje tijd tussen zit.’

Ik loop op mijn nieuwe grijze laarsjes terug naar Monica van de mamma care. Rare naam eigenlijk. Niet Monica, maar mamma care. Ik vind het meer iets voor een kraamkliniek. Daar geef ik haar de biopten. Alsof ik een paar dooie insecten in een potje heb gedaan en die nu aan de kleuterjuf schenk. Kijk eens, zelf gemaakt.

Ik hoor dat de biopten meteen het laboratorium in Arnhem gaan en dat ik dezelfde middag telefonisch uitslag krijg. Ik vraag hoe groot de kans is dat het kwaadaardig is. ‘Vijftig tot negenennegentig procent,’is het antwoord. Dan weet ik eigenlijk al genoeg.

Ik hoef niet eens meteen te huilen. Het is net alsof ik mezelf van afstand zie als ik het ziekenhuis uitloop. De grijze ochtend in op mijn grijze laarsjes.

Vandaag is het ook grijs, maar het regent niet. Ik ben een jaar ouder, 65 gram borstweefsel armer, een paar littekens rijker. En tot mijn grote frustratie heb ik nog niet mijn oude energieniveau en ben ik sneller moe dan voorheen. De grijze laarsjes draag ik nog geregeld. Zoals vandaag.

img_8797 img_8796

 

 

 

Sint, surprise en stress

Het is bijna vijf december, maar we vieren het al de derde. Pakjesavond. Met surprises en gedichten. En gourmet. Wij hebben niet veel tradities in het gezin, maar Sinterklaas is heilig (daarom heet ie ook zo). Gelukkig zijn mijn kinderen al lang niet meer gelovig en heb ik een aantal jaren geleden een manier gevonden om de eeuwige discussie of het wel allemaal eerlijk verdeeld is te voorkomen. In het verleden leidde dat soort gekrakeel steevast tot ruzie en tranen. Zeker toen het merendeel al niet meer geloofde, maar nog eentje wel. Dan loop je als moeder op eieren. Terwijl het toch al zo’n hell of a job was om al die cadeaus te kopen en vervolgens bij te houden voor wie je wat had gekocht en wat het kostte. Hele spreadsheets wijdde ik eraan. Tja, lang vervlogen tijden. Zeg maar het pre smartphone tijdperk. Pinnen kon je nog niet overal en via internet bestellen deden alleen mensen die een seksfetisjisme hadden of andere verlangens waaraan de gemiddelde middenstander niet tegemoet kon komen.

Wat het surprise en cadeaubeleid betreft: dat heb ik als volgt opgelost. Iedereen koopt voor 100 euro cadeau’s: je geeft 40 euro uit aan degene die je hebt getrokken (rare uitdrukking als ik het zo opschrijf) en 20 euro aan dingen voor de anderen. O ja, en je maakt natuurlijk een surprise en een gedicht.

En gelukkig is er internet. Wat een hoop stress scheelt dat. Zeker als je net zoals ik geen born shopper bent. Kiezen, klikken, kopen. De dozen en pakketjes stromen binnen. Ik geloof dat ik de afgelopen week de postbode vaker heb gezien dan mijn man.

Nu moet ik alleen nog maar de surprise maken (ik heb m al wel helemaal uitgedacht en zoals het zo mooi heet: een goede voorbereiding is de helft van het werk) en het gedicht. Dat laatste kost me meestal niet veel moeite. En aangezien er verder niemand in het gezin gevoelig is voor metrum, mooie zinnen en een a-a-b-c-c-b rijmschema verspil ik daar mijn tijd niet meer aan.

Nee, met die surprise komt het wel goed. Het idee is briljant in al zijn eenvoud, al zeg ik het zelf. Van de uitvoering moet ik het meestal niet hebben, dus daar ga ik dan ook niet al teveel tijd aan besteden. Allemaal nodeloze stress. En stress krijg ik toch wel. Morgen, als dat ene pakketje waar ik nog op zit te wachten, toch niet bezorgd wordt.