Richtingsgevoel

Een wat mistige, maar droge herfstochtend. Perfect weer om hard te lopen en dat doe ik dan ook. Ik besluit me braaf te houden aan de training op het hardloopschema van de Groep Piet. Voor de goede orde: dit heeft niets te maken met de Pietendiscussie, maar alles met de hardloopclub waar ik lid van ben en waar ik training krijg van Piet. Elke maand mailt hij een schema, zodat je weet wat je te wachten staat als je naar de trainingsavonden komt en houvast hebt voor de keren dat je zonder begeleiding gaat lopen. Nu de winter nadert is het schema (nog) pittiger. Daar zit een filosofie achter, alleen weet ik zo gauw niet meer welke. Maar goed, ik dwaal af. Wat overigens niet erg is, want in zekere zin is dat de kern van dit blog.

Zes keer vijf minuten versnellen met steeds vijf minuten pauze. Met tien minuten inlopen erbij betekent dat minimaal vijfenzestig minuten lopen. Of beter: minimaal zeventig, aangezien het natuurlijk not done is om direct na de laatste versnelling te stoppen. Ik kies voor mijn ‘Doorwerthse rondje’. Het bos in richting de Rijn, onderlangs via Heveadorp naar Doorwerth en dan terug. Met waarschijnlijk een lus rondom Hotel de Bilderberg, want de recht toe recht aan variant is te kort als ik ècht alle versnellingen ga doen. En ik moet all the way gaan van mezelf, omdat ik vanavond luxe uit eten ga  (jaja, een vroeg verjaardagsdineetje bij een driesterrenrestaurant, je mag twee keer raden welk, want meer zijn er niet in Nederland). Elke voor verbrande calorie is meegenomen.

img_8179Deze route kan ik zo ongeveer dromen. Ik loop al meer dan tien jaar hard en inmiddels heeft mijn brein een mapje ‘routes en rondjes van 1 tot 10 kilometer’ aangemaakt. Voor langere duurlopen kan ik deze desgewenst combineren. Nu ik het zo opschrijf lijkt het of ik een heel gestructureerd, planmatig wezen ben. Dat is over het algemeen niet zo. Het is een vorm van ‘coping behavior’. Ik heb namelijk totaal geen richtingsgevoel. Zomaar een paar paden volgen om een uurtje later moe maar voldaan weer te zijn waar je wezen wilt: het is mij niet gegeven.

En toch kan ik het af en toe niet laten. Zoals vandaag. Ik zie een pad dat ik niet ken en denk: doe es gek zo vlak voor je 51ste.  Het is een fietspad. Een strook asfalt die door het bos slingert. Al snel heb ik geen idee meer waar ik ben. Ik moet denken aan een training van lang geleden. Toen ik het begrip training vooral associeerde met flipovers, tips en tops, feedback en wat kom je halen en brengen toestanden. En liters koffie, kleffe snacks en inzakken na een copieuze lunch. Deze training begon met het motto: ‘ga je mee verdwalen, ik weet de weg.’ . Maar ik loop hier moederziel alleen te verdwalen. Straks springt er nog een Trumpiaanse pussygrabber uit de bosjes. Ha, daar loopt een weg. Komt me dit bekend voor. Jazeker, hier verliet ik een kwartier geleden het in mijn hoofd gebaande pad. Niets aan de hand dus, gewoon een ommetje. Een mooi extra lusje om toe te voegen aan mijn route-arsenaal.

Ik heb weliswaar geen enkel richtingsgevoel, maar wel een goed geheugen. Heel handig, dan vergeet ik tenminste niet dat ik verdwaald ben.

Advertenties

Pech

Sinds twee jaar rij ik in een Mitsubishi Outlander, ook wel gekscherend een Metsubsidie genoemd. Of beter gezegd: meestal rijdt ie. Nu dus niet. Ik sta geparkeerd voor het kantoor in Utrecht waar ik een paar afspraken heb voor gesprekken. Het eerste gesprek vindt nu plaats, zonder mij, want mijn auto gaat niet uit. Het powerlampje brandt en dan kan de auto niet op slot. En op het dashboard staat een melding ‘electrical service required’ met een afbeelding van een rode auto met een kruis erdoorheen. Dat ziet er angstaanjagend uit.

Ik heb inmiddels gebeld. Eerst naar degenen bij wie ik de auto heb gekocht. Die belde de Mitsubishi dealer in Utrecht. Die dealer belde mij om te vertellen dat hij niet kwam, want dan zou hij niet betaald krijgen, maar dat ik contact moest opnemen met het Mitsubishi 24 uurs service. Er zat een soort creditcard met gegevens hiervan in de zwarte Mitsubishi map. De servicedienst zou contact opnemen met de dichtsbijzijnde dealer en als die niet snel kon komen zouden ze de wegenwacht inschakelen. In dat laatste geval zouden ze mij bellen. En ja hoor, ze belden om te zeggen dat de Mitsubishi dealer helaas geen tijd had (ik had het kunnen weten, want dat was waarschijnlijk dezelfde dealer die ik al gesproken had) en dat de wegenwacht er sneller zou kunnen zijn. Namelijk binnen zestig minuten. Dat was een half uur geleden. Ik ben al zo lang wegenwacht lid dat ik een gouden kaart heb. Zelfs toen ik nog leasde heb ik deze gehouden, want zij kwamen tenminste wel als je met een lekke band stond. Had ik ze maar meteen gebeld, dat had mij een half uur gescheeld. Minimaal, want ze komen vast minder snel voor de Met Subsidie Services, die hen met de lasten opzadelen.

En nu zit ik dus in mijn auto te wachten. Terwijl ik amper vijftig meter verderop zinvol bezig zou kunnen zijn met een gesprek, dat nu alleen door mijn collega wordt gevoerd.  Inmiddels sta ik hier al een uur.

Voordat ik besloot hier te parkeren, heb ik een kwartier in de ondergrondse parkeergarage vertoefd. Eerst probeerde ik mijn auto te parkeren tussen twee andere auto’s in, maar een van de auto’s stond zo slordig geparkeerd dat de ruimte net te krap was om mijn Mitsu ertusssen te wurmen en dan ook nog zelf uit te kunnen stappen, aangezien ik zelfs op mijn smalst nog ruim meer dan tien centimeter ben. Vervolgens waagde ik de gok en reed naar beneden. Met recht een waagstuk want als daar geen plek is, moet je achteruit terug de steile helling op en een vrijwel haakse bocht nemen.  En ja hoor, dat was het geval. Wat een geluk, dat mijn auto niet WIL afslaan, stel dat ik daar in die bocht was blijven steken. Uiteindelijk, nadat ik ternauwernood voorkwam dat de rechtervoorkant een kus gaf aan een van de stoere pilaren die moeten voorkomen dat de boel instort, wist ik te keren en de garage uit te komen. Dan maar betalen. Zo belandde ik hier. Betalen heb ik nog niet gedaan. Wel ben ik snel naar binnen gerend om even te plassen en koffie te halen. De Mitsu piept klaaglijk omdat ik de sleutels meeneem (key not detected, helaas, kan even niet anders, ben zo terug Mitsu).

De wegenwacht arriveert. Hij sluit een noodaccu aan. Er gebeurt niets. Hij vraagt of ik de deur met de afstandsbediening open en dicht wil doen. Ik leg uit dat dit juist een deel van het probleem is: dat kan niet als de auto aan staat. Luister, ik ben de eerste om toe te geven dat ik niet bepaald als techneut op deze wereld ben gezet. Maar als je twee jaar in een auto rijdt, dan weet je, zelfs als je (ge)blond(eerd) haar hebt, heus wel wanneer het mis is. Voordat ik om hulp vraag heb ik echt wel alle trucjes geprobeerd (batterijen afstandsbediening vervangen, meerdere keren op slot gezet en weer open, knop langer ingedrukt en ja, de stekker is er uit, anders komt dat kreng niet eens op gang).  En als ik meld dat op het dashboard electrical service required staat en ik in de handleiding zie dat dit betekent dat de auto onmiddellijk stopgezet moet worden, dan verwacht ik van een beetje dealer dat hij meteen handelt. En niet zoals nu laf de wegenwacht inschakelt, die ook alleen maar kan constateren dat hij niets kan doen.

Nu zit ik te wachten op de sleepdienst. Die brengt mij naar de dichtsbijzijnde dealer. Ik denk het bedrijf dat ik bijna twee uur geleden aan de lijn had. Hoe ik straks naar huis kom? Waarschijnlijk eerst van het kastje naar de muur bellen. Gelukkig heeft de man waar ik de auto heb gekocht al aangeboden om mij op te halen. Dat noem ik nou service.

 

Oog om tand

Afgelopen week had ik een eet date met een van mijn oudste vriendinnen. Niet in letterlijke zin, hoewel ze een paar jaar ouder is dan ik, maar onze vriendschap gaat al dertig jaar mee.

We zaten in Groenland, een restaurant in Driebergen. Ongeveer de helft van de tafeltjes was bezet, niet slecht voor een doodgewone dinsdagavond.  Het gedempte licht flatteerde weliswaar onze rimpels, lijntjes en kraaienpootjes, maar maakte het wel verdomd lastig om de wijnkaart te lezen. ‘Doe jij dat maar,’ zei mijn vriendin, terwijl ze in haar tas rommelde, op zoek naar de leesbril die ze niet op wilde zetten. Iets wat ik heel goed begrijp. Twee jaar geleden heb ik bij de opticien een leesbril op maat met een kek montuur gekocht, maar ik gebruik hem zelden. Als het niet hoeft, niet doen is mijn devies. Ik had het ding niet eens mee, want in noodgevallen red ik me uitstekend met de flashlight functie van mijn smartphone.

Terwijl we toosten, constateerden we dat het echt lang geleden was dat we samen hadden afgesproken. En dat dat vooral te maken had met gezondheidsklachten van ons allebei. ‘We worden echt een dagje ouder,’ zeiden we tegen elkaar.

Ik herinnerde me hoe we vroeger nachtenlang doorhaalden en linea recta van de kroeg naar het hockeyveld gingen, omdat we anders niet op tijd zouden zijn voor de wedstrijd. De maanden dat we samen een Haagse etage deelden en video’s huurden met miniseries, zodat we hele avonden wijn drinkend en chips met dipsaus etend konden zwelgen in de romantische belevenissen van glamoureuze personages, die ontsproten waren aan het brein van Judith Krantz. Hoe zou het trouwens met Judith Krantz zijn? Leefde ze nog? Straks maar eens googelen.

De wijn smaakte goed en het eten was heerlijk. We praatten over van alles en nog wat. De seksstewardess van Transavia kwam voorbij (trouwens ook geen jonkie met haar 46 lentes). De kunst van het loslaten, iets dat wij moeders lastiger lijken te vinden dan vaders. Het onderwerp ouderdom en gebreken roerden we niet meer aan.

Traditiegetrouw namen we geen toetje maar thee. Wel wilden we graag ‘iets van chocolade’ erbij hadden. We kregen bonbons die waarschijnlijk wel biologisch, maar niet echt lekker waren. Ze smaakten oud. Daarom schakelden we over op Tony Choconoly caramel zeezout, die ze daar gelukkig altijd in voorraad hebben. Hoewel ik nauwelijks melkchocolade eet, maak ik hiervoor graag een uitzondering.  Genietend kauwde ik op zo’n heerlijk zoetzout stukje, toen ik iets voelde dat groter was dan een korreltje zeezout. Het bleek een deel van mijn voortand te zijn. Over loslaten gesproken. Mijn vriendin barstte in lachen uit, toen ik naar haar grijnsde. ‘Je lijkt op iemand, maar ik kan er niet opkomen op wie.’.

Op het damestoilet ontblootte ik mijn gebit en keek in de spiegel. Ik was net die leadzangeres van Pussycat, Tonnie nog wat. Zou ze nog leven?

 

Negen maanden later

Vandaag is het precies negen maanden geleden dat ik geopereerd ben. Ik had er misschien niet aan gedacht als mijn oog niet was gevallen op een artikel in Hart en Ziel, de dinsdagbijlage van de Gelderlander. Onder de kop ‘Ik ben er weer’werd aandacht besteed aan een fotoserie van vrouwen die na chemotherapie hun haar verloren. Carlien Sikkenk portretteerde hen twee jaar geleden kaal en nu weer, met haar.Ter gelegenheid van de borstkankermaand. Haar foto-expositie is tot en met eind oktober te bekijken in het Universitair Medisch Centrum Groningen. In het artikel komen ook twee geportretteerde vrouwen aan het woord hun ziekte en de chemotherapie.

Natuurlijk komt zo’n artikel nu bij mij anders binnen dan een jaar geleden, toen ik nog geen weet had van wat zich in mijn rechterborst afspeelde. Wat mij vooral triggerde was een stukje uit het interview met Kristel (31) die drie jaar geleden een knobbeltje in haar borst ontdekt: ‘De chirurg zei: “Je bent hartstikke jong.Ik zorg dat je borst zo mooi mogelijk blijft.”Dat is gelukt: als ik op controle kom, moeten ze altijd vragen welke borst het ook weer is.’

Laat ik voorop stellen dat ik heel blij ben voor Kristel dat het resultaat mooi is geworden. En inderdaad, 28 jaar is heel jong voor deze rot ziekte. Maar uit de woorden van de chirurg maak ik op dat hij (of zij) kennelijk meer zijn best doet naarmate de patiënt jonger is om een cosmetisch mooi resultaat te krijgen. En dat vind ik, op zijn zachtst gezegd, leeftijdsdiscriminatie. Iedere vrouw met borstkanker heeft recht op een cosmetisch zo fraai mogelijk uitgevoerde operatie. Ongeacht haar leeftijd. Je krijgt al genoeg andere ellendige behandelingen en onderzoeken voor je kiezen.