Bezemwagen

Wanneer ik tijdens mijn ontbijt door de Volkskrant blader, blijft mijn bliIMG_6109k hangen bij de foto’s in het hart van het eerste katern. Onder de kop Bandje doorgeknipt staat een artikel over de staart van het peloton Vierdaagse Lopers. Een beeld van een eenzame wandelaar die langs verlaten tuinstoelen loopt, een man die met vertrokken gezicht in de berm ligt, een oudere heer die door twee toeschouwers de finish wordt over geduwd.

Ik weet hoe ze zich voelen. In 1989  heb ik meegedaan met de Vierdaagse. Destijds was er nog geen sprake van loting en kon je je tot vlak van tevoren inschrijven. Het was het pre Internet tijdperk en het meest moderne communicatiemiddel in die dagen was de fax, maar daarover beschikten wij, arme studenten, natuurlijk niet. Met vier vriendinnen reisde ik naar Nijmegen. Via via hadden we slaapplekken geregeld in een studentenhuis aan de Annastraat en we kregen elke avond een gezonde, warme maaltijd voorgeschoteld in het Nijmeegse ouderlijk huis van een van ons.

Kortom: alle faciliteiten waren uitstekend in orde. Het enige wat ontbrak was training. Geen van ons had ook maar een kilometer wandeltraining in de benen. Maar, zo redeneerden wij, als al die bejaarden hem uit kunnen lopen (voor ons viel iedere 45 plusser toen in die categorie) dan lukt dat ons, twintigers, met gemak. Dat ik zelf een pakje per dag rookte, regelmatig in de kroeg hing en weliswaar hockeyde, maar vooral schitterde in de derde helft en in afwezigheid op de training, zag ik niet als een mogelijke belemmering voor het behalen van het Vierdaagse kruisje.

Elke dag belandde ik steevast in de loop van de middag in de staart van het peloton. Nog zie ik de militair voor me, een vrouw met een rugzak waaruit een Noors vlaggetje stak. Ik spotte haar de eerste dag toen ze op de buitenkant van haar kistjes strompelde. Die zal wel uitvallen dacht ik. Maar elke dag zag ik haar weer ergens trekkebenen in mijn buurt. Later bedacht ik dat ik er waarschijnlijk net zo florissant bijliep. De week na de Vierdaagse ben ik zelfs nog in het ziekenhuis beland omdat zowel mijn linkerknie als mijn rechterenkel groteske proporties hadden aangenomen.

Elke dag eindigde in een strijd tegen de klok. Want het zou me toch niet gebeuren dat al dit lijden en afzien voor niets was geweest. De allerlaatste dag had ik zoveel pijn in mijn benen dat ik pas na een uur redelijk kon voortbewegen. Daarom besloot ik niet te pauzeren. Pas bij de allerlaatste controle post, toen het kruisje was veilig gesteld, plofte ik in het gras en wachtte op mijn vriendinnen om samen de Via Gladiola te lopen.

Dat hebben we gedaan. Geheel in stijl, langs verlaten tribunes, over platgetrapte gladiolen en net voor de bezemwagens, die de straat aan het schoonvegen waren.

 

 

Advertenties

Pokémon

Nederland is Europees kampioen. Niet met voetbal deze keer (alhoewel de eerste en laatste keer alweer 28 jaar geleden is). Wel met de dames sprint estafette. Maar ook in de categorie zitten. Nederlandse jongeren tussen 12 en 20 jaar zijn het beste in zitten van Europa. Ruim tien uur per dag. Tel daar acht uur slaap bij op en er zijn nog zes uur over. Geen idee hoe ze die doorbrengen. Waarschijnlijk hangend op de bank of sloffend naar de koelkast.
Maar de oplossing heeft zich al aangediend. Sterker nog: in dezelfde media doken berichten op van het overweldigende instant succes van Pokémon Go. Alhoewel hier nog niet legaal verkrijgbaar is het een rage onder, juist, diezelfde jongeren. Massaal jagen ze, voornamelijk fietsend of lopend, op de virtueel aanwezige wezens. Ook mijn zonen zijn inmiddels hooked en leggen kilometers per dag af.
Eindelijk een gezonde game verslaving. Al zouden de media hun werk niet goed doen, als er ook meteen berichten verschijnen over wat er misgaat. Beroofd worden van je smartphone als je ’s nachts op jacht gaat. Van de rails afgehaald worden omdat je daar aan het zoeken bent. Natuurlijk moet je blijven opletten en weten wat je doet. Maar dat geldt voor veel dingen, zo niet alles.
Zo zie je maar wat er gebeurt als bewegen een middel is en geen doel. Ik hoop dat de Nederlandse jongeren over een maand Europees kampioen Pokémon Go zijn.

Weg

Omdat zitten het nieuwe roken is, maar vooral omdat het lekker weer is en ik tijd heb, loop ik vandaag naar de bakker. Een wandeling van ruim twintig minuten. Net als Roodkapje neem ik de weg door het bos, de kans dat er een grote boze wolf op mijn pad komt acht ik miniem. Daar heb ik helemaal gelijk in. Wel kruisen twee oudere fietsers mijn bospad, ik gok een echtpaar. Ouder is natuurlijk een relatief begrip, ik bedoel: ouder dan ik. Niet dat ik nog zo jong ben, maar in ieder geval nog niet op een leeftijd dat ik tijd noch zin heb om op maandag een uitgebreide fietstocht te maken met mijn man. Ik zie ze van hun fietsen afstappen. De vrouw tuurt op haar smartphone, kijkt een beetje vertwijfeld rond en richt haar blik op mij. ‘U ziet eruit of u ons kunt helpen de weg te vinden.’

‘Dat ligt eraan waar u naar toe wilt,’ antwoord ik. Nu ik het zo opschrijf moet ik zeggen dat ik het bijna een spiritueel antwoord vind, alsof ik net een week op zen cursus ben geweest bij Tibetaanse monniken. Terwijl ik het bedoel als een vorm van verwachtingsmanagement. Ja, ik ben bekend hier in de omgeving, maar ik ken natuurlijk niet alle straten en wegen uit mijn hoofd. Dus ik hoop dat ik u niet teleurstel.

Gelukkig vraagt ze naar een bekende weg en kan ik helpen. De man zwijgt. Dat komt me bekend voor. Mannen vragen nooit de weg. Ook de boze wolf uit Roodkapje niet. Die vroeg alleen waar ze naar toe ging.