Verhitte voetbalinterland

De regen, die sinds de vroege ochtend met bakken uit de hemel viel, is gestopt als wij aan het ontbijt zitten in Bakau, Gambia. Mahlik, die ons elke ochtend voorzie van koffie en thee, is er helemaal vol van. Deze middag speelt Gambia tegen Togo in de strijd om kwalificatie voor de Africa Cup. Een paar dagen geleden leek Gambia de uitwedstrijd in Togo met 1-0 te winnen… totdat Togo in de laatste minuut de gelijkmaker scoorde. De wedstrijd vandaag is cruciaal want beide landen moeten winnen om nog zicht te houden op kwalificatie. Mahlik kan wel kaarten voor ons regelen, voor 100 dalasi per stuk heb je een goede plek onder de overkapping. Hier is dat een fors bedrag, wij kunnen er in Nederland nog geen kop koffie op een terras van betalen, want omgerekend is het nog geen 2 euro.

De wedstrijd begint om half vijf, maar Mahlik heeft ons op het hart gedrukt ruim van te voren aanwezig te zijn. We nemen een taxi naar het stadion. De rit duurt veel korter dan verwacht, nog geen tien minuten later arriveren we bij het stadion. Een betonnen gevaarte op een groot, braakliggend terrein. Het is al aardig druk. Met mijn Nederlandse blik registreer ik chaos, maar inmiddels weet ik dat er een voor mij onzichtbaar systeem zit in de wanorde.

Politie agenten doen het ijzeren hek bij de ingang steeds open en dicht, zodat er telkens een auto kan passeren. Na een keer of drie lukt het ons erdoor te glippen. Als we ons melden bij de overdekte tribune mogen we er niet op. We moeten naar de andere kant. De poorten zijn nog niet open. Overal lopen, staan en wachten mensen. Dan stormt er een groep agenten met helmen, schilden en knuppels de trap op. De poorten gaan open. En weer dicht. En weer open. Mensen gaan naar binnen. Of worden letterlijk in hun kraag gevat en eruit gesmeten. Dit is blijkbaar de toegangscontrole, want als wij ons melden pakken ze de kaarten af en mogen we doorlopen.

En zo zitten we ruim een uur voor aanvang in de verzengende hitte op de onoverdekte tribune. Naast Mahlik, die zich uitgebreid verontschuldigt dat hij zijn broer per ongeluk verkeerde kaartjes heeft laten kopen. Hij heeft nog steeds zijn werkkleding aan en moet het nog warmer hebben dan wij in onze korte broeken. Omdat de betonnen banken zo warm zijn dat het voelt alsof ik op een brandende kolenkachel zit, ga ik staan. Een heel licht briesje geeft enige verkoeling. Langzaam tikken de minuten voorbij, terwijl onze tribune steeds voller wordt. Op het veld warmen de spelers zich op. Uit de speakers klinkt een nummer dat speciaal voor het Gambiaanse elftal is gemaakt. En dan nog eens, en nog eens, en nog eens….. Als ik zowat gesmolten ben, bezweet, plakkerig en verbrand – mijn zonnebril tekent zich ’s avonds duidelijk af op mijn gezicht zodat ik wel een uil lijk – klinkt het verlossende beginsignaal.

Alhoewel ik geen grote voetbalkenner ben, kan ik zien dat dit geen kwalitatief hoogstaande wedstrijd is. Togo speelt elkaar beter de bal toe, Gambia heeft meer kansen, maar is geen team. Blijkbaar doen ze dit aan middenvelders. De bal wordt of naar voren getrapt waar dan steevast de spits al buitenspel staat of iemand pingelt net zolang tot de bal buiten de lijn is of wordt afgepakt. Tijdens de rust, als het ons eindelijk lukt om water te kopen, is de temperatuur weliswaar stukken aangenamer maar zijn de gemoederen op onze tribune inmiddels aardig verhit. Een man met een soort ananas van haar op zijn hoofd zwaait treiterig met een vlag en twee rijen verder houdt een vrouw een groepje mannen in toom die met gebalde vuisten naar de ananas staan te schreeuwen.

De tweede helft is qua niveau nauwelijks beter. Een speler van Togo krijgt rood omdat hij zijn tegenstander vloert. Helaas voor Gambia net buiten het strafschopgebied. Onder luid gefluit sjokt hij langzaam naar de catacomben (ervan uitgaand dat die er zijn). Omdat de sfeer steeds opgefokter wordt, gaan we vijf minuten voor het einde weg. Mahlik heeft inmiddels onze taxichauffeur gebeld. We banen ons een weg naar de uitgang, wat nog niet meevalt want ook de trappen zitten vol toeschouwers. Een agent doet de poort voor ons open en meteen proberen tientallen kinderen zich naar binnen te wurmen.

Als we op de afgesproken plek op de taxi staan te wachten, horen we op een autoradio dat Togo scoort. Weer in de laatste minuut dus. Tijdens de rit naar het hotel, horen we een reporter met kalme stem concluderen dat het over is voor The Gambia. De chauffeur heeft geen goed woord over voor het team. Geen eenheid, spelen alleen voor zichzelf. Veel geld verdienen in het buitenland en voor je eigen land de kantjes eraf lopen. Kortom: voor ons Nederlanders heel herkenbaar :-).

De volgende dag horen we van Mahlik dat het helemaal geescaleerd is op onze tribune. Politie, stenen en traangas. Gelukkig was hij ook op tijd weg. Al is hij duidelijk hevig teleurgesteld dat kwalificatie er niet meer in zit. Weer niet.

Hakken

Omdat ik een ondernemersevenement wil bezoeken dat in het Beatrix theater plaatsvindt, besluit ik met de trein te gaan. Ik parkeer mijn auto op het voormalige kazerneterrein bij station Ede-Wageningen. Daar is altijd plek in overvloed. Niet zo heel verwonderlijk, want je moet nog zeker vijf minuten lopen voor je bij de perrons bent en in de nabije omtrek is er weinig te beleven.

Na enkele stappen heb ik al spijt van mijn schoenkeuze. Donkerblauwe pumps met een beschaafd hakje. Zeker geen tien centimeter, maar wel meer dan vijf. Na ruim twee weken op comfortabele wandelschoenen of teenslippers protesteren mijn voeten hevig.

Wanneer ik met een koffie in mijn hand op de trein sta te wachten, scan ik de vrouwen in mijn omgeving. Of ze nu een broek of een rok aan hebben, jong of wat ouder zijn: allemaal dragen ze gympen of sneakers. Behalve ik dus. Ik denk terug aan mijn tijd als jonge trainee bij een bank, eind vorige eeuw. Vrijwel elke dag droeg ik een mantelpakje, een nette jurk of broek en van die suffe stewardessenpumps. En het allerergste: panty’s, die natuurlijk altijd haakten of ladderden. Na een tijdje durfde ik het aan om in een spijkerbroek met nette blouse, keurig sjaaltje en blazer te verschijnen. De journaaloutfit (in die tijd zaten de nieuwslezers nog en zag je alleen de bovenkant). Niet iedereen kon het appreciëren. Wat dat betreft zijn de tijden gelukkig veranderd. Lang leve de sneaker, volgende keer neem ik mijn hakken wel mee in de tas. Heb ik geleerd van de film Working Girl. Ook eind vorige eeuw. Net als hakkûh…..

Over de Atlas

Erfoud. Geen Riad dit keer maar een soort vierkante omheining met daarin bungalowtjes en kamers: la Rose du desert. Een zwembad met palmbomen en ligstoelen, bezet door overwegend Nederlanders. Sommigen zijn net terug van de nacht in de woestijn en anderen, zoals wij, gaan nog. Ja, dat krijg je als je allemaal de highlights van Marokko in twee weken wilt proppen.

Nog even over Fes, we hadden daar een kamer met een grendel aan de buiten- en aan de binnenkant van de deur. Heel onhandig als de een in de kamer is en de ander  nietsvermoedend de deur netjes dichtmaakt en weggaat. En geen bereik heeft. Ik had eigenlijk nog even moeten vragen wat het idee daarachter is, want of je laat de deur op een kier, zodat de achterblijver niet echt privacy heeft of je sluit iemand op. Maar dat terzijde.

Gisteren vertrokken we in alle vroegte voor de lange rit naar Erfoud. Ruim 400 kilometer voor de boeg dwars door de Atlas naar de woestijn. Op tijd eruit dus want vanaf half negen konden we de auto ophalen in de ville novelle. De man van het hotel regelde een sjouwer voor ons die ons naar een taxi standplaats zou brengen. Via een ons nog niet bekende route liep hij voor ons uit met zijn handkar, het ging vooral omhoog dus hij had het zwaar. Onderweg stopte hij een paar keer om water te drinken en het zweet van zijn gezicht te vegen. Omdat we geen klein geld hadden, kochten we bij een stalletje een stokbrood, chocolade en oreo koekjes, alles bij elkaar 10 dirham, dat is nog geen euro. We beloonden onze zwoegende bagagevervoerder met vijftig dirham en daar was ook hij heel blij mee.

Iets na half negen kwamen we bij Eurocar aan. Pas een uur later reden we weg. We waren als tweede aan de beurt. Achter ons groeide de rij snel aan met wachtende landgenoten. Wat de man achter de balie allemaal moest doen, was volslagen onduidelijk maar omslachtig was het zeker. Per klant was hij een half uur bezig, terwijl iedereen toch echt van tevoren geboekt had. Later hoorde ik van mensen dat ze tot half twaalf hadden moeten wachten en toen nog een rammelbak kregen.

Gelukkig hoefden wij dus maar een uur te wachten en was er een koffietent om de hoek, zodat ik nog een espresso kon scoren. Ik had in Fes nog geen fatsoenlijke koffie gedronken, maar deze was lekker. Nadat we het hectische verkeeer van Fes achter ons hadden gelaten reden we de leegte in. Van groen naar bruin naar geel. Rond Ifrane ligt er een nationaal park met veel bomen en heuvels. Ifrane zelf of in ieder geval een suburb ervan ziet er luxe uit. Een koninklijk paleis met tig wachthuisjes bij het kilometers lange hek. Het paleis zelf is aan het oog onttrokken door een rijk beplant park. Er tegenover ligt een universiteit met waarschijnlijk ook westerse studenten want een man (en vrouw) of tien was aan het hardlopen in tights en strakke shirts, de hoofden onbedekt. Ski-oorden, apen, kuddes schapen compleet met herder en hond, geiten. De besneeuwde toppen van de atlas. Vlaktes met hier en daar een struik. Een soort westerndecor. Rotsige heuvels die hoger en hoger worden en langgerekte stroken groen waar het water stroomt. Bergpassen met S-bochten en na elke bocht een ander uitzicht. En na de bergen het begin van de woestijn. Dorpen die eruitzien of ze half af zijn. Alsof een kind met een vierkant emmertje een dorpje heeft gemaakt in de zandbak. En in de stadjes hebben de huizen luiken en deuren in allerlei pastelkleuren. Het is net of deze erop geschilderd zijn.

Als we een half uur rijden van Erfoud zijn, zien we een bord waarop staat dat er bronnen zijn. Wanneer we erheen rijden belanden we op de Marokkaanse variant van een camping. Een van de bronnen is aangesloten op een zwembad. Vanuit een tentje klinkt keiharde muziek. Het is niet bepaald rustgevend. Jongetjes klampen ons aan en geven van grasstengels gevlochten dieren ‘ cadeau’. We wimpelen ze af en ze zoeken hun heil elders. Even later horen we een boze mannenstem: ‘ En nou oprotten’. We lopen een stuk van de camping af, op zoek naar een wat rustigere bron. Echt spectaculair is het niet, maar het is lekker om even de benen te strekken.

Het is al na half zeven als we de parkeerplaats van La Rose du dessert op rijden. Na een van de meest afwisselende en mooie autotochten van mijn leven.

Dwalen in Fes

Gelukkig hebben we in Fes een prachtige kamer in een Riad, die zich zo ongeveer op het hoogste punt van de Medina bevindt. Het is in ieder geval steeds een hele klim. Gedwongen door het weer, maar vooral een zieke man, spendeer ik namelijk meer tijd in de Riad dan ik vooraf had ingeschat. Maar ja, life is what happens when you are making other plans.

Toen we gisteren met de trein vanuit Meknes arriveerden was het fris maar zonnig. Vanaf het station namen we een petit taxi richting ons Riad. De taxi’s in Fes bleken rood te zijn en klein, hun broertjes in Meknes zijn lichtblauw en piepklein. Je kiepert je bagage in een soort bak op het dak, propt de laatste koffer erbij op de achterbank en gaan met die banaan. Wat dat betreft is het handig dat we deze vakantie slechts met ons drieen zijn, het pas allemaal net.

Ergens aan een straat werden we eruit gezet, het hotel was om de hoek zei de chauffeur, terwijl hij een voor Marokkaanse begrippen exorbitant bedrag van 50 dirham vroeg voor het ritje. Vervolgens donderde hij onze spullen in een handkar en  voor we het wisten sjokten we achter een man aan. Onder een poort door, de volle Medina in. In zijn kielzog liepen we vrij soepel door de smalle steegjes. Na enkele minuten lieten we de kraampjes achter ons en kwamen we in rommelige, vieze straatjes met gebouwen zo schots en scheef dat ze met houten en ijzeren balken bijeen gehouden worden. Steiler en steiler ging de weg, tot we ineens voor een bruine poort stonden van Riad Dar Bensouda. Onze sjouwer liet het aan ons over wat we wilden betalen en wij vonden dat hij meer recht had op vijftig dirham dan de taxichauffeur. Zijn gezicht lichtte helemaal op, zo blij was hij.

Omdat we nog niet op onze kamers terecht konden, besloten we eerst op zoek te gaan naar een restaurant om te lunchen. We hadden vroeg ontbeten, net als de diverse setjes landgenoten, die allemaal in hetzelfde Riad waren gestald voor de dag in Meknes. En die ook allemaal dezelfde trein naar Fes moesten hebben. En dezelfde informatie hadden met als advies om toch vooral ruim twintig minuten van tevoren aanwezig te zijn en dat ook braaf deden. Net als wij. In Fes heb ik ze overigens nog niet gezien, maar ongetwijfeld zullen we enkelen van hen weer tegenkomen tijdens onze trip straks naar het zuiden. Het vinden van een lunchadres leek niet zo moeilijk, althans niet via Tripadvisor. Maar het echt vinden van het restaurant was een flinke puzzel. Ik weet niet of Wie is de Mol al in Marokko is geweest, maar het lijkt mij een perfecte locatie. Het eerste restaurant waar we kwamen bleek nog gesloten. Het tweede ook. Onderweg werden we af en toe belaagd door jongens die voor geld de weg wilden wijzen. En geholpen door drie schoolmeisjes in een soort witte laboratorium jassen (kennelijk het schooluniform), die bedeesd vroegen wat we zochten en ons daarna gracieus begeleiden. Ja heren, zo kan het ook. Helaas bleek ook dit restaurant nog dicht. Uiteindelijk kwamen we door gewoon dom bordjes te volgen van restaurant Fex in een mooie tuin terecht waar we wel konden eten. Nou ja, ze waren eigenlijk pas tien minuten later open, maar we mochten zitten. Prima gegeten daar. Na de lunch dwaalden we verder door de Medina en kwamen een zelfverklaarde vriend van Ali B tegen. Hij bracht ons naar de poort waar we een taxi pakten naar Fes el Jedid. Dat was tenminste de bedoeling, maar we belanden in het moderne(re) deel zodat we uiteindelijk nog een behoorlijk stuk moesten wandelen om daar te komen waar we wilden zijn. Achteraf goed dat we dat gisteren allemaal gedaan hebben, want vandaag regent het soms, is het koud, is Olaf ziek en hebben we een beperkt dagprogramma gedaan, bestaande uit dwalen door de Medina, bezoeken van een leerlooierij, weer dwalen door de Medina, lunchen en terug naar de Riad. Overigens verklaart dat leerlooien wel het relatief grote aantal mannen met een glazen oog dat ik hier gezien heb. Die hebben waarschijnlijk ooit loog in hun gezicht gekregen.

Wat gehandicaptenvoorzieningen betreft moet je niet in de Medina zijn met haar hobbelige, smalle straatjes of in een Riad met al die trapjes en afstapjes. Wel zag ik verschillende mensen met krukken zich dapper een weg banen. Verdere valt mij zowel hier als in Rabat en Meknes op dat er heel veel katten zijn, vaak jonkies en soms in deplorabele toestand. Eten doen ze van het vuilnis dat hier langs de kant van de steeg wordt gelegd. En met handkarren of ezels wordt opgehaald, waardoor er vast af en toe een katje geplet wordt, ben ik bang.

Relaxed Rabat

Misschien komt het omdat het zaterdag is, maar het is vanochtend kalm en rustig op straat in hartje Rabat. De Riad zit dichtbij zee en dus kan ik het toch niet laten om een klein stukje hard te lopen. Een tight tot over de knie en een wijdvallend shirt met korte mouwen, dat moet toch kunnen. En inderdaad: het kan. Niemand lijkt te verblikken of verblozen, er wordt niet gesist, alhoewel ik de enige vrouw ben die zo gekleed de pier op gaat. Ik zie wel andere vrouwen hardlopen, van top tot teen gehuld in een lang gewaad met hoofddoek. Als ik de trappen naar de kashbah op jog, zie ik een oudere dame haar been op een van de kantelen leggen en uitvoerig rekken. zelfs haar been is nog gehuld in een soort witte lange onderbroek.

De kashba is stil. Een man veegt de straat met een soort verdorde palmtak. De geur van vers brood. Tijd voor ontbijt.

Het ontbijt bestaat uit allerlei jammetjes en annekoekjes. Niet helemaal mijnsmaak want ik hou niet zo van zoet, zeker niet bij het ontbijt. Mar hetpannenkoekje met cream cheese is lekker en de koffie is prima.

5D358F99-A130-42BD-B185-6FF35476B8A0

Dan op pas in Rabat. We lopen dwars door de Medina en komen al snel terecht bij de markt. De geur van koriander. Platte broden die voor je neus gebakken worden op ronde platen. Onweerstaanbaar, dus ik koop er eentje. De bakker viuwt hem dubbel en stopt hem in een papieren zak. Ik scheur meteen een stuk af van het gloeiendhete brood. Heerlijk. Een kip die live geslacht wordt. Piepende, in diverse kleuren geverfde kuikentjes. Een kraam met allerlei oude koffiezetapparaten (zouden daar echt gegadigden voor zijn?). Wat opvalt is dat wij niet lijken op te vallen. We kunnen overal blijven staan en rustig rondkijken, niemand klampt ons aan om iets te verkopen. Tien jaar geleden in Marrakech had ik na een halve dag al zo de balen van de opdringerige verkopers dat ik met een strak gezicht zo snel mogelijk door de medina banjerde. Hier moet je in je beste Frans de verkoper aanspreken als je wat wilt kopen. Super relaxed.

Ook buiten de Medina is het rustig. We drinken wat in een cafeetje bij de muur. Ik betel een koffie. Die is sterker dan de meeste doppio’s die ik in mijn leven naar binnen heb geklokt. Goeie genade, mijn cafeine behoefte is voor de rest van de dag zeker gestild. Blijkbaar zit er ook iets in wat wespen aantrekt, want ze zwermen in hordes om mijn koffieglaasje heen.

We lunchen in een drukbezocht restaurant en wanen ons even in Frankrijk. De salade met warme geitenkaas, spekjes en een vinagrette zoals ik hem zelf nooit kan maken smaakt voortreffelijk.

Via de kathedraal (!) lopen we naar de Hassan Tower. Een toren die nooit af is gemaakt. Een groot plein met zuilen die ook niet klaar lijken te zijn. En een mausoleum. Wachters in vol ornaat en rode vlaggen. De meest toeristische plek van Rabat, maar ook hier hangen ze niet bepaald met de benen buiten. Best wel een verademing, zo’n hoofdstad waar de mensen gewoon doorleven, vriendelijk en behulpzaam zijn en zich niet opdringen.

 

Herstel

Ruim een week griep gehad. Koorts, hoofdpijn, hoesten en overal spierpijn. Zonder te sporten, want dat kun je beter niet doen als je ziek bent. Mocht je daar al zin in hebben, Het moeilijkste van ziek zijn vind ik het herstel. Als de koorts geweken is en je moe wordt van het in je bed liggen dan wel op de bank hangen. Want dat is eigenlijk alleen maar fijn als je het uit vrije wil doet. Goed uitzieken, drukt de omgeving je op het hart. Niet te snel weer aan de slag (dat adviseer ik anderen ook altijd). En als het gaat om de vraag: wanneer mag je weer sporten, staat vrijwel op elke site die je daarover raadpleegt het uber cliché (maar daarom vast ook wel waar): Luister naar je lichaam. Ja, denk ik dan, maar het zou ook wel fijn zijn als mijn lichaam eens naar mij luistert. In plaats van een beetje slap en weeïg signalen af te geven die mij mentaal in de war brengen. Want nu ik weer op de been ben, wil ik eigenlijk gewoon de draad weer oppakken. Maar ja, ik ben de draad dus een beetje kwijt qua hardloopschema. Ik kan niet verder gaan waar ik gebleven ben, daarvoor hoef ik niet eens naar mijn lichaam te luisteren maar naar mijn gezond verstand.

Mijn verstand zegt dat het goed is om in ieder geval naar buiten te gaan en gewoon rustig een paar kilometer te lopen, zonder versnellingen. Mijn gevoel zegt dat ik daar helemaal geen zin in heb (want ik heb nergens zin in en zie overal tegenop). Mijn lichaam zegt helemaal niets, maar trekt routineus hardloopschoenen aan, gaat de deur uit en begint. Gevoel sputtert nog wat tegen, maar laat zich overhalen door verstand om een half uurtje te joggen. Maximaal vijf kilometer. Na tien minuten is al duidelijk dat vijf kilometer in een half uur onhaalbaar is. Daar heeft gevoel dan toch weer moeite mee (die weet ook nooit wat ze wil). Verstand neemt het over en beslist dat er gelopen wordt op gevoel en dat is nu even geen kwestie van willen maar van kunnen.

Na een half uur kom ik thuis en heb ik het gevoel dat ik een halve marathon achter de rug heb, al heb ik nog geen kwart halve marathon afgelegd. Afgepeigerd maar voldaan plof ik op de bank. Om verder te herstellen.

 

Top 2000 Live in Luxor

Vrijwel elk jaar vier ik mijn verjaardag. En dus krijg ik ook vrijwel elk jaar de onvermijdelijke vraag: heb je nog wensen. Ja, die heb ik altijd wel, maar dat zijn vooral zaken die niet te koop zijn, zoals een goede gezondheid, een lang, gelukkig leven, kunnen eten en drinken wat je wil zonder consequenties, een mentaal stabiele president in de VS, wereldvrede etc. Daarom vraag ik dit jaar aan mijn hardloopclubje om een uitje naar keuze.

En zo fietsen wij op zondagmiddag, gelukkig is het droog, naar Luxor in Arnhem voor de Top 2000 live.Het publiek bestaat grotendeels uit blanke veertigplussers, hetgeen wel een accurate weerspiegeling is van de top tien (met als toevoeging dat die artiesten overwegend zeventig plus zijn of dood).  Met hier en daar een paar dertigers en twintigers. Die laatsten meestal vergezeld van een of meer ouders. Best een leuk gezinsuitje, misschien krijg ik mijn kinderen ook ooit mee (vrees van niet).

Rond een uur of drie gaat het los. Drie blazers, een pianist, een drummer, meerder gitaristen zetten ‘Music’ van John Miles in. Er verschijnt een zanger die wel een morph leek tussen Syb van de Kast en Leo Sayer in zijn jonge jaren. Met een geweldige stem.  Even later gevolgd door zanger nummer twee, die gecast lijkt voor de soul en R&B nummers. En natuurlijk de onvermijdelijke kers op de taart in de vorm van een zangeres in een strakke, rode jurk. Die gedurende de middag vocaal de plank nauwelijks misslaat, maar qua kledingkeuze des te meer. Vooral de tweede outfit: een wit shirt met donkere horizontale strepen op een geel wijd rokje was een modeflater in de categorie Fergie (wie kent haar nog, de ex van Prins Andrew). Ik herinner me nog een foto van haar waarin ze meer op een Paasei dan een menselijk wezen leek met daarboven de kop (zoals alleen Engelse boulevardkranten dat kunnen): What was she thinking?

Verder is de Top 2000 live het best te vergelijken met een goed bezocht feest waar een dusdanig gevarieerd repertoire ten gehore wordt gebracht dat niemand teleurgesteld wordt. Waar de guilty pleasures het meeste enthousiasme opwekken. De eerste tonen van ‘By The Rivers of Babylon’ brengen de menigte bijna in extase en ook de medley met Duitse, Franse en Italiaanse nummers gaat erin als Kuche.

Ik schat dat er circa honderd nummers in krap tweeënhalf uur doorheen worden gejaagd, uiteraard niet volledig uitgevoerd. Aan de top tien waagt de band zich niet. Een goede keuze wat mij betreft, want dat zijn niet de ultieme feel good dans- en feest nummers. Zelf luister ik het laatste uur van het jaar liever naar wat anders, je zou van minder depressief worden. Als toegift spelen ze ‘We are the world’. Uberkitsch en een beetje jammer, ‘Do they know it’s Christmas’ is passender wat mij betreft. Maar ja, dat weerhoudt mij er niet van vol overgave mee te blèren.

Al met al een uitstekende zondagmiddagbesteding. Volgend jaar weer hoop ik.